Nieuwsbrief

Schrijf u in voor de nieuwsbrief.







colofoncontactadverteerdersabonnement

May Peters neemt deel aan het Tumbafestival op Korsow Afdrukken E-mail
Geschreven door May Peters   
Wednesday 24 February 2010
tumbakorsow2008.jpgMay Peters speelde op Curaçao als trombonist mee op het evenement van het jaar: het Tumba-festival met de uitverkiezing van de Carnavalshit 2008. Ze weet niet waar ze het volgende uur zal zijn. Ze wacht op Antilliaanse mannen van alle leeftijden die haar van de ene training/repetitie naar de ander brengen. Een 24uursverslag van een professional die allergisch dreigt te worden voor geluid. 

Ik heb erg veel gelachen sinds ik op geiteneiland landde. Zo droog en met, heel prettig, een heerlijke zeebries. In tegenstelling tot mijn Puerto Rico, een bovenwinds eiland, waar de wind dus ook kennelijk ergens boven is.
In 1994 en 1995 was ik op weg naar San Juan en zou ik eerst het Caribische deel van het Nederlands Koninkrijk aandoen. Dat voelde veiliger en vertrouwder. Dankzij mijn Antilliaanse studiegenoot op het Hilversums Conservatorium Hector Sampson kon ik op Curaçao spelen.

Dertien jaar later ben ik weer op Curaçao. Natuurlijk loop ik constant te vergelijken. Culinair was het afzien in Puerto Rico. En als Bourgondische kok (maar vorig jaar was ik rond deze tijd dan ook tien kilo lichter) kun je echt alles krijgen door de band die het eiland heeft met Nederland.
In ‘mijn' straat, dezelfde als dertien jaar geleden, staat zelfs een Hollandse bakkerij. Enigszins weemoedig sta ik voor de toonbank. Bruin brood, kroket. Hoe lyrisch kon ik zijn over onze nationale snack in Puerto Rico. Och, ik heb altijd al genoegen geschept in louter het verlangen. Dat hoeft niet eens vervuld te worden. Je blijft hierdoor trouwens ook nog keurig op gewicht.
Enfin, ik ben niet hier voor het eten, niet voor de paradijselijke baaien, ook die heeft Puerto Rico niet. Ik ben hier voor het Tumbafestival 2008, de verkiezing van de carnavalsschlager van Curaçao. De tumba is de nationale dans (in 6/8 maat) die rechtstreeks van de Afrikaanse slaven afstamt.
In de vorige eeuw was de tumba samen met de tambú tot begin jaren zeventig nog verboden vanwege ‘de choquerende bewegingen van de heupen tussen man en vrouw.'

‘Kom maar, ze hebben trombonisten nodig,' had Hector me op eerste Kerstdag geschreven. En ik begon meteen te bellen naar de twee bands Tune en Perfecta Son. Het zijn goede bands die door heel het jaar heen in de hoffies - een open binnenplaats met een golfplaten dak en een bar - optreden. Maar ze hebben geen blazerssectie van zes man. Helemaal geen geld voor en helemaal geen behoefte aan. Ay, het muzikale verschil is zo groot met Puerto Rico.

In 1991 begon ik mijn salsacarrière met een Antilliaanse band uit de hoofdstad van de Antillen in Nederland: Rotterdam. De band heette Bomberos.
‘Waarom heten we eigenlijk brandweer?' vroeg ik in mijn onnozelheid.
‘Wij blussen die problemen van de mensen.' Ja, dat zal wel. Toen we een elpee opnamen (nostalgie!) stond de merengue erop zonder tekst. Te schunnig, verklapte Hector.

Als ik hier langs de weg loop, hoor ik gesis en getoeter. Niet de beleefdheid van Puerto Rico. Dankzij mijn Puertoricaanse rijbewijs weet ik dat voetgangers bescherming genieten. Hier wordt gescheurd. In Puerto Rico veroorzaakte ik bijna een kettingbotsing omdat chauffeurs me per se wilden laten oversteken ook al hoefde ik dat helemaal niet. Ze willen je natuurlijk even ten volle uit voor zich voorbij zien lopen. Hier, op Curaçao, snijden ze me de pas af en sissen dan nog even door het raam. Dios mío. Het lijkt wel de Hollandse assertiviteit versus de Spaanse caballeros.

Ik ben altijd de enige witte en uiteraard de enige vrouw in Caribische muziekbands. In het begin verstond ik geen woord van het spektakel tussen Latinos tijdens onze ‘trainingen'. Daarom besloot ik Spaanse les te volgen. Ook interesant om me tussen andere mensen te begeven dan halfgare muzikanten. Maar na les drie ontdekte ik dat het geen Spaans was wat ze spraken! Nan ta papia Papiamentu. Zes jaar later zou ik, uit heimwee naar Puerto Rico, mijn leraarbevoegdheid Spaans halen.
Voor mij is het Papiaments een louter fonetische vorm van het Spaans en het Portugees - van de Sefardische Joden die de Hollanders moesten helpen met vertalen, toen Curaçao weer terug in de Republiek kwam in 1634. Maar dan zonder vervoegingen! Een vorm van Spaans zonder verschillende tijden, niks mannelijke of vrouwelijke vormen. Alle moeilijke woorden komen uit het Nederlands. Ik kom niet meer bij van het lachen.
Hoofdschuddend loop ik door de supermarkt. 1 kilo de baka. Dat is 'vaca'=koe, denk ik. Dat schrijf je met een v ! De k komt niet voor in het Spaans tenzij het een leenwoord is zoals kilo. Dan hoor ik plots de winnende tumba uit 1995 door de speakers en schiet ik natuurlijk weer helemaal vol. De schappenvuller begint te dansen.
‘Ik was daarbij!'zeg ik verrukt: ‘Ik heb die tumba gespeeld!'
Maar daar gaan eerst trainingen aan vooraf. Hun woord voor repetitie. Trainen bestaat veelal uit het stuk tien keer achter elkaar spelen. En dan moet je bedenken dat de mambo's, de instrumentale tussenstukjes vaak het hoogtepunt zijn. Ze gaan ook letterlijk de hoogte in. En dat is warempel een zware lichamelijke inspanning, waardoor menige blazer zijn lippen bij elkaar trekt.
Ik heb altijd frictie met de bassist. Of eigenlijk met al die gasten die een snoer aan hun instrument hebben: keyboard, piano. Het was, is en zal altijd loeihard geluid blijven geven. Waarschijnlijk denken ze dat het dan goed klinkt.
‘Weet je, het is nogal agressieve muziek,' zei een muzikant gisteren.
Optredens in Nederland begonnen om tien uur 's avonds. Tenminste, dat zeiden ze. Ik zat natuurlijk altijd als enige drie uur lang te wachten. Want om tien uur is er nog geen hond! Ook geen consumpties. Niks. Soms ging een optreden niet door want dan hadden ze de dag ervoor iemand neergeschoten.

Dinsdagmiddag staat er een pick-up voor de deur en stapt een bewaker met zonnebril uit. Een stralende glimlach zegt: ‘Ik ben Snijders van de formatie Tune.'
‘Wat goed! ¡Al final! Wil jij mijn manager worden?'
‘Is goed,' lacht hij terwijl die zonnebril me van onder tot boven opneemt. Meestal blijven ze dan ter hoogte van mijn hart even steken.
‘Waar komt u nu vandaan?' vraagt hij. Ik praat automatisch Spaans na het eerste Bon tardi dat ik hoor.
‘U spreekt Spaans, Papiaments , Nederlands...' Dat Papiaments is niet waar, dat komt door mijn Limburgse gastvrouw Judith die hem aan de telefoon had.
‘Uit Limburg!' zeg ik: ‘Waarom denk je dat jullie carnaval vieren? Man, dat hebben die Limburgse en Brabantse paters hier ingevoerd!'
Hij hoeft niet te weten dat die paters de tumba veel te provocerend vonden. En dat carnaval pas na de grote opstand van de zwarte bevolking in 1969 een echt Caribisch volksfeest werd waarin de tumba centraal kwam te staan (citaat uit Jan Brokken, Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin).

Woensdagavond komt hij me weer halen voor de training met Tune.
‘Bon nochi' en ik loop de kleine repeteerruimte in, waar met een ontiechelijke rotherrie een tumba ingestudeerd wordt. De zessnarige bas speelt met zo'n volume dat ik het in mijn rug voel als ik tegen de muur leun.
Vier corozangers, jongens van een jaar of zestien, zingen mee. Herfsthanen, zoals mijn moeder ze noemt. Een synthesizer die al die blazerspartijen nog een keer verdubbelt en een pianist. Wij blazers, twee trompettisten uit Venezuela, twee trombones en een Dominicaanse tenorsax, komen er vanavond pas bij.
Ik concentreer me op de percussionisten: de congero met vier congas van een allerbelabberste kwaliteit. Niks van te horen ook. De campanaspeler (koebel), de timbalero met basdrums, cymbals en woodblock waarop hij die vernuftige clave speelt in 6/8 maat.
En een jongen in de hoek die dat typische tumbainstrument speelt, dat nog een Indiaanse erfenis is. In feite een maïsrasp. Een metalen rasp waar hij net zoals bij de guïro en de guïra een stokje overheen haalt. ‘drrrrrrrrrr, tjs-ke'.
‘Hoe heet die guïro waar hij op speelt?' vraag ik aan de jonge timbalero.
‘Hoe heet dat ding?' vraagt hij op zijn beurt aan een ander.
‘Een wiri'.
‘Hoe schrijf je dat?' vraag ik met mijn blocknote en pen in de hand.
‘W..i..r..i..,' spelt hij. Ik had natuurlijk geen stommere vraag kunnen stellen.

Net belt Snijders op. De repetitie vanavond is na de jump-in, niet te verwarren met jump- up. Bij een jump-in wordt er tumba gedanst op locatie. Voor ƒ25,- en ƒ50,- krijgt het publiek allemaal hetzelfde t-shirt, vaak verknipt tot bikini's.
Er is een liveband, er zijn broodjes stobá (stoofvlees) en drankjes. Een jump-up is een optocht. Die komt niet meer zo vaak voor, omdat een organisatie van jump-ups ook moet betalen voor reinigen en de veiligheid.
‘Mijn' formatie Tune moet op een jump-in spelen.
‘Dus ik zal je bellen om 12 uur.' Om dan vannacht om half twee nog die zes tumba's te repeteren?

Na het avondeten word ik gebeld: Snijders.
‘Om half 11 repeteert Forsa Dos.' Een andere band die hij dan toch voor me geregeld heeft. Dat is een leuke repetitie op een hofje. Met een heel groot podium en aardige musici. Ik krijg een Polar, een Venezolaans biertje. De Amstelbrouwerij schijnt niet meer te bestaan! Daarna word ik naar de repetitieruimte van Tune gereden door Kenneth Doran's zoon. Hij is controleur voor de water- en elektriciteitsmaatschappij.
‘Soms zeggen mensen: Kijk goed! Dat kan niet, zo duur?' De jonge jongens van Tune staan doodop tegen auto's geleund. Twaalf uur.
‘Bon nochi. Waar wachten jullie op?' vraag ik vrolijk. Van de zeven weet een me te vertellen dat ze op de instrumenten wachten. Die komen uiteindelijk anderhalf uur later. Natuurlijk hebben we niet gerepeteerd. Ik, de pedagoog, ben alleen maar bezig de leider aan zijn verstand te brengen dat je beter kunt repeteren als iedereen fit is. Een repetitie met alleen de blazers.
Dan hoor ik plotseling een andere jongen zeggen: ‘E ta makamba.'
‘Nou moet jij eens goed luisteren,' vaar ik uit in het Spaans, ‘Noem me geen makamba. Daarvoor heb ik veel te veel geleden. Ik kom net uit Puerto Rico en ik heb een Nederlands paspoort, dat is mijn ongeluk!'

Eindelijk. Gisteravond weer hetzelfde ritueel. Een telefoontje van mijn manager Snijders.
‘Tune repeteert om 11 uur.'
‘Die moet wel doorgaan. Ik ben niet gediend van die fratsen van die gasten'. ‘Nee, nee,' zegt Snijders, ‘Nu gaat het door. Ik kom je halen'.
Ik lig ergens tussen Nederland en Puerto Rico in, als ik plotseling een auto hoor toeteren. Half twaalf ‘s nachts. En inderdaad: iedereen is er. Zelfs mijn collegas van Forsa Dos, de Venezolaanse trompettist die bij alle grote formaties wordt ingehuurd. We hebben ‘s middags nog een andere tumba gerepeteerd in een Hoffie. Niet wetende dat we elkaar dan toch binnen twaalf uur zouden zien.
‘Ze kunnen niet organiseren. Wel een grote mond, maar een planning van niks,' zegt Snijders, 'Ik regel mijn dingen goed. Als ik het niet kan dan zeg ik NOOO.'
‘Is het dat? Weet je, Snijders, ik ben een open, eerlijk en sociaal mens. Ik repeteer om het met hun te delen. In principe hoef ik niet te repeteren. Als die partijen deugen, speel ik ze. Moet je hier dus gewoon schreeuwen?'

Om middernacht zitten we met twintig man in een kleine repetitieruimte. De tumba wordt afgespeeld en ik lees mijn partijen mee, als ik plotseling een grote schaduw voor me voel opdoemen. Een uitgestrekte hand.
‘Gregoryyyyy!' Mijn maatje uit 1991, arrangeur Gregory Colina, komt twee van zijn tumba's instuderen. Hij doet dat effectief. Eerst neemt hij de moeilijke passages door met de corozangers, dan komt de ritmesectie aan de beurt en dan de blazers.
‘Dios mío,' zeg ik tegen mijn collega trombonist, met wie ik ook in 1995 heb gespeeld, ‘Wat een klereherrie.'
Er is nog niks veranderd. Niemand die daar wat van zegt. Wat is dat toch, denk ik. Een erfenis van de kolonisten? Dat iedereen zijn lot braaf ondergaat?
De copist gaat pal voor me zitten.
‘Blazers,' roept Gregory. Ik ben nog bezig op veertig vierkante centimeter.
‘Perdóname, ik heb meer plaats nodig,' zeg ik. Je ontkomt er niet aan om voor je eigen comfort te zorgen. Zijn vader, papá Colina, de copist, schuift een beetje op. Ik moet dat niet, die mensen die in mijn aura gaan zitten. Maar ik denk meteen ‘sluit het van je af'.
Mijn noten kloppen voor geen meter.
‘Dat is een do,' roept Colina.
‘Oké, verander ik,' zeg ik. Potlood en gum heb ik bij de hand. Ik heb altijd een gereedschapsetui bij me. Colina is wat geïrriteerd.
‘Laat zien.' Ik overhandig de partij. Hij bekijkt de trombonepartij met gefronste wenkbrauwen en bromt dan tegen zijn vader: ‘Dat is de trompetpartij.'
Dat heb ik weer! Dus dan lees ik de trompetpartij maar een toon lager a vu. Eeepa, waarom zou mijn leven ook eens gemakkelijk zijn? Ik besluit meteen maar om wat van die herrie te zeggen. Ik gebaar naar de pianist en de bassist en wijs naar mijn oren.
Of ze alsjeblieft aan ons denken. Wij hebben namelijk geen microfoons. Maar belangrijker: ik wil geen gehoorsbeschadiging oplopen. Dus stop ik waxbolletjes in mijn oren. Voel mijn tong werken, hoor mijn toon gedempt. Afschuwelijk! Ik probeer echt om mijn lippen niet te forceren. Jammer, er valt hier niks te swingen in deze kakefonie. De swing zit in mij. Ik probeer me te concentreren om een uur 's nachts.

Zondag. Snijders komt me halen voor een repetitie met Forsa Dos. Regelt met de timbalero dat hij me daarna naar de repetitie van Tune brengt. Er is geen andere blazer op het Hoffie behalve ik. Terwijl we op de andere musici wachten, vraag ik aan de congero mij even het tumba ritme voor te spelen.
Was ik in Puerto Rico druk bezig in de percussieles bij mijn collega van het Conservatorio met tien soorten bomba en vijftien varianten van de plena, op Korsow is het tumba! Zanger Kenneth Doran roept dat hij me volgend jaar inhuurt als percussionist.
‘Ieder zijn vak,' roep ik terug. Twee uur later word ik bij een ander hoffie afgezet waar vijftig auto's voor de deur staan. Ja, hoor, hier staan mijn collega's van Tune. God, ze zien er heel anders uit overdag. Veel vrolijker en opener. En wat een klereherrie alweer!
‘Heb je honger?' hoor ik ineens naast me, terwijl ik mijn trombone op de standaard zet. Snijders glimlacht als hij me een hand geeft.
‘Ik ben net hier. Jij hebt een goede timing.'
‘Kom mee.'
‘Maar ik moet toch repeteren?'
‘Nee, dat duurt nog wel even.'
‘Zit de vijf al in de klok?' Dat is een grap die uit de Glenn Millertijd stamt. De jongens en ik dronken geen alcohol voor half vijf uur uit pure zelfbescherming.
‘Ja, ik heb wel zin in een biertje'.
Hij loopt al voor me uit.
‘En bovendien is het zondag. Dan doen ze in Limburg Frühshoppen'. Snijder kijkt me niet-begrijpend aan en lacht.
Ik word weer meegenomen naar een huis van familie. Mannen die onder een tentje domino spelen. Achter hen staan twintig flessen sterke drank: Whisky, rum. Ik kom niet meer bij. Onder de garage staat een televisie met twee luidsprekers. In Puerto Rico komt daar dan muziek uit. Hier op Curaçao kijkt men naar een motorcrosswedstrijd. Of beter gezegd, luistert men.
Niemand kijkt. Om je het idee te geven dat je er echt bij hoort, komt er alleen maar klere rotherrie van scheurende motoren uit de speakers. Heel af en toe roept iemand iets als er eentje onderuit gaat.

Ik word naar binnen geleid, waar vijf vrouwen in de keuken bezig zijn met het eten.
‘Dit is May. Zij is trombonista,' stelt Snijder me voor en overhandigt mij een klein flesje Amstel. Ik krijg eenzelfde piepschuim bakje met een zwartgeblakerd varkensribje, kippenpootje, een koteletje, een wit pistoletje. Je moet goed eten. Een roze en witte salade en rijst met peulvruchten die men op Puerto Rico vooral met Kerst eet.
‘Gandules?'roep ik verrast: ‘Kan je die hier krijgen?'
‘Ja,' zegt mama: ‘Uit blik.'
Nadat Snijder me een derde flesje geeft, keren we terug. Mijn collega's wijzen al naar me. Ze stonden te wachten. De monsterrepetitie zal zes uur duren. Zeventig man publiek. Steeds als we een tumba hebben gespeeld applaudisseert iedereen. Ik ren zes keer naar de geluidstechnicus.
‘Zet die koormicrofoons zachter. Het zingt rond.'
De gast, perfect gecast voor een uitsmijter, kijkt me aan of ie mij er dadelijk ook uit gaat smijten. Natuurlijk helpt mijn interactie niet.
Colina verschijnt. Hij speelt zijn twee arrangementen. Repeteert eerst even de moeilijke passages. En dan herken ik hem weer uit Nederland. Gewoon tien keer achter elkaar die tumba's spelen. Keihard, met rondzingende microfoons en blazers die al zes uur lang op hun benen staan. Wie had het hier nog over een repetitie?
Trainen, toch?

 
< Vorige   Volgende >