|
Bewustwording van de eigen geschiedenis
Tegen die als vervreemdend ervaren situatie verzetten zich in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw ook dichters als Pierre Lauffer, Elis Juliana, Nicolás Piña-Lampe en Luis Daal die voornamelijk in het Papiamentu schreven, de door het koloniale bewind zo miskende en verguisde moedertaal. Pierre Lauffer schreef al in 1955 in ‘Kumbu’ (dwaallichtje): ‘Sintimentu di nos ta skondí pa esnan ku no por komprende, pero nos ku ta yiu di tera nos ta biba ku nos ideal’ (onze gevoelens zijn verborgen voor degenen die niet in staat zijn ons te begrijpen, maar wij, kinderen van het land, leven zoals wij denken dat we móeten leven’).
Tekst: Fred de Haas
Ook heeft het tijdschrift in het oktobernummer van 1970 veel waardering voor de romanschrijver Guillermo Rosario die door het gebruik van het Papiamentu in zijn werk getuigde van verbondenheid met de Antilliaanse identiteit en die, door de historische inhoud van zijn roman ‘E raís ku no ke muri’ (De wortel die niet sterven wil), had bijgedragen tot de bewustwording van de eigen, Antilliaanse, geschiedenis. Het belang van de kennis van die geschiedenis, hoe pijnlijk die ook is, wordt nog eens onderstreept in de afleveringen van mei en september 1972, waarin de stukken Tula en Tochi van Pacheco Domacassé worden besproken. In Tula vestigde Domacassé de aandacht op de opstand van de ‘slaaf’ Tula in 1795 tegen het Nederlandse gezag en in Tochi werd de rol belicht die Venezuela in het verleden speelde ten aanzien van de Antillen.
De tweede taal in het onderwijs
In Watapana wordt ook een begin gemaakt met de discussie over wat de tweede taal in het onderwijs zou moeten zijn. Het was toen al duidelijk dat het Papiamentu een taal naast zich moest hebben die de grote wereld zou ontsluiten voor het Antilliaanse kind. Het Nederlands werd niet langer als zaligmakend beschouwd. Integendeel, de redactie vond dat het Nederlands het contact belemmerde tussen de eilanden en de directe, Spaanstalige, buren. De discussie raakte verhit. De redactie is geporteerd voor het Spaans als tweede taal, anderen, zoals Frank Martinus, voelen meer voor het Engels, omdat zij Latijns-Amerika niet bepaald beschouwen als het vermeende Eldorado waar de Antilliaan zich op zou moeten richten. En Nederland? Nederland begrijpt niets van het wezen van de Antilliaan, die, als hij eenmaal in Nederland heeft gestudeerd, een zwalkend schip wordt dat nergens meer kan aanleggen (F. Martinus) en dat ook in zijn eigen land geen veilige haven meer vindt. Een teleurgestelde Leo Henríquez richt zich, in Watapana van mei 1972, tot zijn vaderland:
(...) Awor ku mi ta hecho, yen di forsa i
Gozando di un fortalesa enorme,
Awor bo ta nenga ami komo
E fruta di bo barika. (...)
Nu ik rijp ben,
Levenskrachtig, groot,
Nú erken je mij niet
Als de vrucht van je schoot
Moedertaal, spelling en identiteit
Ook de geschiedenis van het Papiamentu begint nu eindelijk de welverdiende aandacht te krijgen. Watapana publiceert (1968) in drie afleveringen opnieuw het in 1958 in het wetenschappelijk tijdschrift Neophilologus verschenen artikel van dr. H.L.A. van Wijk over de oorsprong van het Papiamentu. Van Wijk trotseert de kritiek van Antoine Maduro en prof. J.P. Rona van de Universiteit van Ottawa in 1970 en 1971. Hij houdt staande dat het Papiamentu oorspronkelijk een Afro-Portugees idioom is dat later met Spaanse en Nederlandse woorden is verrijkt.
© Amigoe, 15 januari 2010
|