Het literaire tijdschrift Watapana werd in 1968 opgericht in Nederland door de op Aruba geboren Antilliaan Henry Habibe, die in die tijd Spaanse taal- en letterkunde studeerde in Nijmegen. Het zou in drie tot vier afleveringen per jaar verschijnen tot september 1972. De eerste redactie werd aanvankelijk gevormd door H. Habibe, G. Pestana, R. López-Ramírez, O. Kwas en A. Daal. Later zouden R. Todd Dandaré, P. Velásquez, C. de Haseth en L. Narain de redactie komen versterken. In september 1972 waren de eerste twee personen van beide groepen nog over. Tekst: Fred de Haas
Er was al een aantal tijdschriften met eenzelfde - literaire - doelstelling verschenen vóór Watapana, zoals het geheel in het Papiamentu geschreven Simadan (Oogst) uit 1951. Simadan, dat werd opgericht door Nicolás A. Piña-Lampe en anderen en dat helaas maar drie afleveringen heeft gekend (waarvan de laatste verscheen in 1961), wilde een forum zijn voor Papiamentstalige auteurs. Ook de Antilliaanse Cahiers (1955-1967) die niet uitsluitend op één taal waren gericht en onder redactie stonden van Cola Debrot, Henk Dennert en Jules de Palm publiceerden literaire kunstuitingen. Watapana was een podium voor schrijvers die in het Papiamentu schreven. Het tijdschrift zou echter ook bijdragen publiceren in het Nederlands en het Spaans, mits deze in het teken stonden van de Antilliaanse taal en cultuur.
Hoewel een uitputtende bespreking van de inhoud en de grote verdienste van dit tijdschrift buiten het kader van dit artikel valt is het alleszins de moeite waard om, althans in het kort, de - nu meer dan ooit actuele - onderwerpen te bespreken die in het tijdschrift Watapana al veertig jaar geleden aan de orde kwamen. We moeten hierbij ook vooral in het oog houden dat Watapana verscheen in een tijd dat de Antillen nog één waren en het nog een jaar of vijftien zou duren voordat Aruba zijn Status Aparte verwierf en voordat er een aanvang zou worden gemaakt met de herstructurering van het Koninkrijk.
De achtergrond van degenen die in Watapana schreven was sterk gekleurd door het groeiend besef en beleven van de eigen Antilliaanse identiteit die in de koloniale periode ernstig in de verdrukking was geraakt. Een zekere Henry Tai zegt in zijn bijdrage aan de Watapana van mei 1972:
Wat van mij is
Moet ik dreggen uit een diep verleden
(...)
Voordelen hebben al die jaren
Van indoctrinatie niet gebracht
Wel afhankelijkheid en chaos
Die verdoezeld worden door een aalmoes
Waarvoor wij stommelingen dank je wel zeggen
Bovenstaande regels hebben geen hoog poëtisch gehalte, maar ze geven wel een gevoel weer dat door velen in die tijd werd gedeeld.
© Amigoe, 15 januari 2010
|